Columns

Zus is niet gek

De molensteeg. Elke zaterdagochtend om 11 uur parkeer ik mijn fiets in dit steegje op de wallen. Voor ik met mijn thuiszorgsleutel de voordeur openmaak, wissel ik een blik met de dikke hoer aan de overkant. Parmantig zit ze op haar kruk, steeds in het zelfde paarse ondergoed (koop je zoiets per dozijn?). Haar mobiel in de ene, een peuk in de andere hand, werpt ze me een meewarige blik toe. ‘Wat heb jij een klotebaan.’ is ongetwijfeld een wederzijdse gedachte.

Op de bovenverdieping wonen meneer en mevrouw Witjes, oftewel ‘Zus’ en ‘Japie’. Vanuit een groot gezin zijn zij in dit ouderlijk huis blijven wonen. Japie is sullig en zwakbegaafd. Zijn zus is assertief en pittig, maar sinds kort onontkoombaar dement. Mijn werkomschrijving is duidelijk: ‘Meneer en mevrouw helpen met wassen, zo nodig beide scheren, ontbijt en medicijnen geven. En let op dat mevrouw ze inneemt!’

Boven volgt steeds hetzelfde ritueel. Zus zit, al aangekleed, voor de TV en springt op zodra ik binnenkom. Terwijl ik me opnieuw aan haar voorstel, laat ze een wasteil vollopen in de keuken. Ik sjouw de teil naar de achterkamer en ze sluit discreet het gordijn. In de voorkamer staan twee bedden en een piano. Japie ligt nog onder de dekens. Ik help hem omhoog en zet hem op de stoel naast de teil. Met een lodderige blik mompelt hij non-stop zijn complete vocabulaire: ‘dag lieve zuster, koud hoor… koud hoor, dag lieve….’. Passief laat hij zich wassen en aankleden. Ik veeg het kwijl van zijn overhangende lip en het slaapzand uit zijn ogen. ‘Japie. Elke andere naam was misplaatst geweest.’ peins ik voor me uit, �Hoe wisten zijn ouders dat al toen hij in de wieg lag?’. Even later zit Japie fris aan zijn ontbijt en medicijnen. Voor de vorm vraag ik Zus: ‘Zal ik u nu even helpen met wassen?’ waarop ze steevast goedig lacht: ‘Nee, joh, gek! Heb ik allang gedaan!’

Ik weet dat haar handdoek en washand droog zijn. En haar haar verraadt nog de afdruk van haar kussen. Toch dring ik nooit aan. Aandringen maakt haar saggerijnig, en dat is het laatste wat ik wil. Veel liever speel ik ons wekelijkse ‘Zus is niet gek’-spel: Zus dartelt opgetogen door de kamer, noemt de namen bij alle foto’s, vertelt over Zandvoort en de badpakken met pijpjes. Vervolgens opent ze de gordijnen en zwaait naar de dikke hoer. ‘Leuke meiden..’ mompelt ze tevreden, ‘maar die kleren-stijl is wel veranderd, hoor! ‘ Ik lach, en wacht op mijn favoriete quote. Want elke tien zinnen zwijgt ze abrupt, staart me aan en zegt dan verbaasd: ‘Kind, hoe kom je toch aan dat gouden haar?’

Mijn rol in dit spel is simpel. Zolang ik niet zeur over medicijnen of wassen, en haar herhalingen negeer, raakt ze steeds meer op dreef. En dan is het moment daar: Ik wijs naar de piano en even later zit ze er achter. Uitgelaten bespeelt ze het valse barrel. Ik wacht even, schuif aan en pingel mee.  ’t is stil in Amsterdam. De mensen zijn gaan slapen…’ zingen we schor. En een vreemd gelukzalig gevoel maakt zich van me meester. Dan snuif ik plots haar geur op, een mengsel van urine en oud zweet, en voel me schuldig. Ik verzaak mijn taak, maar ben te verslaafd aan ons spel om dat te erkennen. ‘Jij komt alleen op zaterdag, Anne. Ze kunnen haar de rest van de week toch wassen….’ vertel ik mezelf schijnheilig.

Anne Hermans

Plaats een reactie

Klik hier om een reactie te plaatsen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.