Columns

Column: Taxi Driver

Taxi Driver

Voor filmfans roept deze titel een associatie op met de gelijknamige klassieker van Martin Scorsese uit 1976, met Robert de Niro in de hoofdrol. Of, minder ver terug in het verleden – want niets is zo vergankelijk als kunst – de film Collateral, waarin huurmoordenaar Tom Cruise zich door een taxichauffeur door nachtelijk LA laat rijden. Ik stap zelden in een taxi. Maar dan ben je in Dubai.

Zijn leeftijd is moeilijk te schatten. Wellicht in de veertig. Bangladesh is zijn thuisland. Hij brengt ons naar de luchthaven, terminal 1. Een belangstellend ‘Waar komt u vandaan?’ is voldoende om hem aan het praten te krijgen. De man geeft een beeld van zijn leven: vier jaar in Dubai, 12-uursdiensten als taxichauffeur, zes dagen per week, een dag vrij, accommodatie in achtpersoonskamer met stapelbedden. Pensioen bouwt de man niet op en stopt hij met werken, dan moet hij de Verenigde Arabische Emiraten verlaten. Dat zijn de spelregels in Dubai.

De taxi rijdt continu; een collega kruipt achter het stuur als zijn dienst erop zit. ‘Dubai is druk, 10 000 taxi’s,’ zegt hij. Dus 20 000 taxichauffeurs. Slecht betaalde arbeiders uit het Oosten, zichzelf wegcijferend om een deel van hun loon naar vrouw en kinderen te kunnen sturen. ‘Thuis is het een chaos. Armoede maakt mensen gek. Er is veel criminaliteit in Dhaka.’

Hier rijdt hij toeristen naar de Dubai Mall, de Burj Al Arab, het 7-sterren hotel dat als een groot zeil van een schip aan het strand staat en de creek met de oosterse bedrijvigheid en de kleurrijke souks. Hoe vaak hij thuis komt? Een maand per twee jaar. Zijn vrouw heeft een bedrijfje waar hij na thuiskomst ook nog de mouwen opstroopt.

Op de luchthaven helpt de man met de koffers. Op zich niet bijzonder. Wel de warme handdruk als afscheid. Het zegt iets over het afgezonderde leven dat de man hier leidt. Honderden mensen kruisen dagelijks zijn pad in deze drukke stad. Niet iedereen zal een praatje met hem beginnen. Een kans om even iets over thuis te zeggen.

Als hij wegrijdt zwaait hij nog. Een rustige dienst gewenst!

Nico de Beer