Landschap en Literatuur

door

Lieve lezer, Voor mij als allochtoon-auteur staat het hebben over Nederland en al helemaal over de Nederlandse literatuur gelijk aan het staren naar de loop van een geweer. Maar het bloed kruipt waar het niet kan gaan. Mijn mond houden is niet mijn sterke kant. Dat is maar goed ook, want mijn bereidheid het risico te lopen doelwit te worden van het kritische kanonnenvuur is een zegen voor jou. Zo kun je erachter komen hoe een Chinese spleetoog die alleen maar in de breedte kan kijken en niet naar boven of naar beneden – tenzij ze platligt –, de Nederlandse literatuur ervaart. Mijn visie is vast verkeerd, en dat is een schrale troost voor jou indien je je niet kunt vinden in mijn mening. Wijs mij, als je wilt, op de beperkingen van mijn zienswijze. Samen krijgen wij een completer beeld. Bij voorbaat dank en met warme groet, Lulu

*** Als men mij vraagt wat ik van Nederland vind, is mijn antwoord: plat. Niet alleen kent het landschap hier weinig bergen en dalen, maar ook de mentaliteit. Sla je haar geschiedenisboek open, dan kom je geen revoluties of hevige sociale omwentelingen tegen zoals die in vroegere Frankrijk, Engeland of Spanje. Voor mij als Chinese is dit bijna ondenkbaar, oftewel, te mooi om waar te zijn, maar dit even terzijde. Lees je haar literatuur, zal je evenmin excessen gewaarworden, in taalgebruik noch in de uiting van emoties. Aangezien ik mijn brood probeer te verdienen met schrijven, beperk ik me in dit artikel tot de Nederlandse literatuur zoals ik haar beleef.

Wat krijg je als je land noemenswaardige bergen noch dalen rijk is? Je kunt bij wijze van spreken vanuit Maastricht Groningen zien, met een verrekijker weliswaar, maar toch. Wat voor invloed heeft dit geografisch gegeven op de bewoners hier? Wat je ziet is wat je hebt en wat je niet ziet bestaat niet. Fantasie wordt met argwaan bekeken – nuchter heet het. Ook te begrijpen. Hoe kun je je iets verbeelden als je in één oogopslag alles waarneemt? Geen wonder is ‘zeggen waar het op staat’ een van de vaak gebruikte uitdrukkingen hier.

Dit is heel anders dan in Frankrijk, Engeland of Duitsland met hun bergen, rotswanden en wouden. Daar wordt directheid niet per definitie als deugd beschouwd. Wat je daar ziet is niet altijd wat je hebt en wat je niet ziet kan alsnog bestaan. Onder een berg kan zich een grot verschuilen, achter een berg kan een hele stad bruisen, aan weerszijden van een berg kunnen provincies zich tot heinde en verre uitstrekken en in een grenzeloos bos? Daar kunnen kolonies dieren en verschillende roversbenden in gedijen. En dit allemaal kun je niet direct waarnemen, maar je komt er bekaaid af als je geen rekening met de verscholen kansen en gevaren houdt. ‘Zeggen waar het op staat’ gaat in dergelijk landschap helaas niet op.

—Recht door zee— Als platheid tot directheid leidt, en directheid tot argwaan tegenover fantasie, hoe oogt de Nederlandse literatuur dan? Zeggen wat je kwijt moet en alles wat riekt naar er omheen draaien wordt als vermoeiend, ingewikkeld en zwaar (overbodig) beschouwd.  Het punt is alleen: als je voor een berg staat, hoe kun je recht door zee zijn/gaan? Je moet, als je nog niet levensmoe bent, toch om de berg heen, wil je de achterkant ervan bereiken. Als je gevoelens en gewaarwordingen hebt die niet één, twee, drie te verwoorden zijn, hoe kun je zo rechtlijnig en nuchter als een chirurg die emoties ontleden en klinisch behandelen? Als wij onze gevoelens zo goed de baas kunnen zijn, waarvoor hebben wij nog de literatuur nodig?

Hoe redt de Nederlandse literator zich uit dit dilemma, dat niet alleen voor schrijvers geldt maar ook voor filmmakers? Platte seks biedt hen een oplossing. De gevoelens die niet direct beschreven kunnen worden – een indirecte (lees: omslachtige) beschrijving past niet in de sobere literaire en artistieke traditie hier – en daarom opgefokt zijn, moeten eruit, hoe sneller hoe beter. Het liefst in één ruk. Nederlandse films zijn bijvoorbeeld een ster in platte seksscènes. Mijn achtste boek, de roman Heldere maan, winnaar van de Slechtste seksscène 2008 (NL en BE), is een mier vergeleken met de olifant van grofheid waarmee dat intieme aspect van het mensenleven in het zonnetje wordt gezet.

Ik kan ernaast zitten, sterker nog, ik hoop dat ik ernaast zit, maar als ik in één zin de thema’s en inhoud van de toonaangevende Nederlandse literatuur samenvat, dan luidt het: het leven is rot (life sucks) en daarom moeten wij flink je-weet-wellen. Even ontladen en dan kunnen wij er weer een tijdje tegen aan.

—De kunst van weglaten— Hierboven stelde ik de vraag: waar dient de literatuur voor? Een van de belangrijke functies ervan is mijn inziens het kammen van onze in de war geraakte gevoelens – eerst door de auteur die ze al schrijvende verwerkt en dan door de lezer die ze al lezende herbeleeft. De kortste afstand tussen gevoelens is jammer genoeg niet een rechte lijn, maar een kromme of kronkelige, om maar te zwijgen over de cirkeltjes waarin sommige emoties draaien en er niet uitkomen. Een platte, directe literaire stijl kan niet voldoen in de beschrijving van dergelijke gevoelens. Daarbij komt het nog, anders dan onze ratio, die zich makkelijker laat uitdrukken in woorden en concepten, spreekt het gevoel zich liever uit in beelden, metaforen en symboliek – fantasie is onontbeerlijk in de literatuur.

Als fantasie met argwaan en met de nek wordt aangekeken – doe gewoon en dan ben je gek genoeg, rustig maar, krijg ik vaak te horen, alsof ik een kind was – , hoe schrijft men hier in Nederland over zijn emoties? Platte seksbeschrijving kan wel als een uitlaatklep werken voor opgekropte gevoelens, maar deze beschrijving kan niet doeltreffend stem geven aan het psychische, emotionele of spirituele problemen en vraagstukken die de gevoelens bij de mens oproepen. Hoe komt een auteur uit dit dilemma?

De kunst van weglaten. Schrijven is schrappen. Zwijgen erover en het voelen, beleven en oplossen van de problemen aan de lezer overlaten. Suggereren heet het. Kort en bondig is in Nederland het synoniem van goede literatuur. De Franse, Italiaanse en Engelse woordenkunst wordt hier minder op prijs gesteld. Breedsprakig of gekunsteld noemt men het hier. Robert Burns met zijn ‘Mijn love is een red, red rose’ zou door de critici hier gewezen worden op zijn foute grammatica. Hij had moeten schrijven: ‘Mijn liefde lijkt op een rode roos’. De tweede ‘rode’ hangt er losjes bij, weg ermee. Shakespeare met zijn ‘Juliet is the sun’ zou ook door de literaire grensbewakers op de vinger getikt worden. De correcte zin zou volgens hen luiden: ‘Julia is het zonnetje in huis’, of, ‘Julia doet mij aan de zon denken’.

—Tussen droog en drassig— Niet iedereen is echter in staat om wat de auteur weggelaten heeft zelf terug te vinden, belevenissen die door de auteur subtiel gezinspeeld zijn te reconstrueren en het probleem dat door de schrijver summier aangestipt is zelf te beslechten. Wat nu?

Keukenmeidenromans, doktersromans, oftewel bouquetreeks, bieden deze lezers een toevluchtsoord. Daarin wordt er gemijmerd over gevoelens. Zo lang en breed gemijmerd dat deze boeken saai dreigen te worden. Het is ook te begrijpen waarom sommige zichzelf – jammer genoeg anderen niet – respecterende bewakers van de toonaangevende literatuur dergelijke werken als lectuur afdoen. Of hoog en droog of laag en drassig. Geen van beide genres stilt de honger van de lezer. Is er een gulden middenweg?

In dit land van literaire woestijn enerzijds en lecturatisch moeras anderzijds is een oplossing geboren. Annie M. G. Schmidt. Haar boeken bespreken grote thema’s van het menselijke bestaan – liefde en haat, blijdschap en verdriet, saamhorigheid en eenzaamheid, plus alle willekeurige en oneindige combinaties van bovengenoemde emoties. Daarnaast geven haar verhalen uitvoerig uiting aan emoties, iets wat keukenmeidenromans bij velen aantrekkelijk maakt.

—Kinderen mogen veel en hun schrijvers ook— Schmidt kan zich bovengenoemd veroorloven omdat ze – zogenaamd – voor kinderen schrijft. Het kleine grut mag nog van de nuchtere volwassenen hun gevoelens tentoon spreiden; Schmidt kan grote vraagstukken van het menselijke bestaan in haar boeken bespreken, met waardevolle inzichten als resultaat, misschien niet op het eerste gezicht maar bij nader inzien, en ze mag tegelijkertijd breedsprakig zijn, omdat kinderen nog van hun rationele ouders mogen overdrijven; Schmidt mag symboliek, fantasie en metaforen in haar verhalen royaal toepassen, omdat volwassenen kinderen oogluikend toestaan in mensen en dingen die niet bestaan, klinkklare onzin dus, te geloven – ze móéten zelfs van hun papa en mama geloven dat Sinterklaas op 5 december door de schoorsteen zakt; Schmidt mag van de schildwachten van de Literatuur met een grote L door heel het Nederland gewaardeerd worden, omdat Annie maar een kinderboekenschrijfster is. Onschuldig en dus ongevaarlijk voor de met gebakken lucht gebouwde en met de kracht van herhaling overeind  gestutte machtsstructuur.

Ik gebruik de tegenwoordige tijd als het gaat om Schmidt omdat ze eeuwig leeft, in en door haar boeken. Terwijl ik de tegenwoordige tijd gebruik ervaar ik tevens verdriet, omdat de Grande Dame mij niet meer te woord kan staan. Zielsgraag had ik haar willen vragen of ze in haar vuistje lacht. Over de hoge, droge, directe en platte literatuur die zichzelf te hoog acht om te kunnen buigen over de spelonk van menselijke gevoelens en hersenkronkels. Dolgraag had ik haar willen vragen of ze noodgedwongen kinderboeken schrijft omdat ze anders met haar onderwerpen, inzichten en schrijfstijl nooit uit de voeten had gekund als ze literatuur voor volwassenen zou hebben gepend, althans niet binnen de  literaire traditie die elk afwijkend werk in de knop breekt voordat het kan bloeien of vruchten kan afwerpen. Tevens had ik haar willen vragen of ze zich niet eenzaam had gevoeld met haar verhalen met een dubbele bodem, waarvan slechts één van de bodems serieus wordt genomen door de zichzelf – spijtig genoeg anderen – niet serieus nemende kwalteitbewakers.

—Nederlandse Andersen— Waar een wil is, is een omweg. Schmidt is via een slooproute de dilemma’s van het Nederlandse literatuurlandschap overstegen en is aan de maaimachine waar innoverende Nederlandse auteurs een dodendans mee voeren ontsnapt, met nog meer elan dan mijn lievelingsauteurs Slauerhoff en Bordewijk.

Een land hoeft niet monsterlijk groot te zijn om een plaats in de wereld te veroveren. Frankrijk heeft het Louvre, Italië de St. Pieter Kathedraal en Nederland? Wij hebben de Afsluitdijk én Madurodam. Frankrijk heeft Victor Hugo, wij hebben Annie Schmidt en Denemarken? Hans C. Andersen. Wie durft te beweren dat Andersen maar een kinderboekschrijver is, en niet van wereldformaat? Nu is onze Annie M.G. Schmidt uit de Hollandse klei aan de beurt om het literaire wereldtoneel te bestijgen. Dat ze kans maakt weet ik bijna zeker. Want ik ben niet de enige allochtoon-schrijver die de Grande Dame waardeert. Zo kan ik nog een rijtje auteurs van buitenlandse komaf opdreunen die haar adoreren.

Ik wil nog verder gaan – ik ben toch een rare Chinese en ik doe mijn titel eer aan – : nu is Annie Schmidt aan de beurt om door de uitsmijters van de Nederlandse L. voor volwassenen herontdekt te worden. Immers, wat je ziet is niet altijd wat je hebt of wat er bestaat, een kasteel van gebakken, bijvoorbeeld. Het is niet altijd goud dat blinkt.

Lulu Wang