Columns

Oranje grapjas

‘Heb je niets voor nummer twintig?’ vroeg hij. ‘Nee’ antwoordde ik kortaf, terwijl ik met mijn vingers geconcentreerd door het stapeltje post bladerde. ‘Weet je het zeker?’ ‘Ja. Zeker.’ ‘Echt heel zeker?’ herhaalde hij zijn vraag met een grote glimlach op zijn sproetengezicht. Ik stopte en keek hem aan. Heel even maar. Toen hield hij zijn mond en liepen we zwijgend verder langs de vaart.

Het was mijn derde dag als postbode in opleiding. Een prima bijbaan in tijden van crisis. Twee uur per dag wandelde ik door de kakkineuze woonwijk in een veel te grote TNT jas. Tot nog toe was het weer prima, het zonnetje was zelfs even komen kijken. Mijn kersverse collega wachtte telkens bij het begin van de tuin met een stapeltje pakketjes in zijn hand die ik zelf niet kon dragen. Onderwijl gaf hij aanwijzingen over brievenbussen met een schutkleur.

De zoveelste televisiegids gleed door mijn handen en ik kon het niet laten deze te bekritiseren. Dat is per slot van rekening mijn beroep. Hij was het roerend met mij eens. Zo vervelend, al die gidsen door de bussen proppen. Daar doelde ik niet op, ik had het over de vormgeving. Onhandig glimlachte hij en vroeg mij wat ik er precies van vond. Een stortvloed van woorden stormde zijn linkeroor in, om daarna door de rechter weer naar buiten te verdwijnen. Daarna hield hij zeker tien minuten zijn mond dicht en lachte enkel om bloedirritante binnenpretjes.

Terwijl ik tuinpaden in en uit liep, waagde hij toch weer een poging. ‘Je weet er wel veel van, zeg’ zei hij. Zijn ogen keken schuchter onder zijn petje vandaan. Ik knikte van ja en glimlachte even, een tweede betoog wilde ik hem besparen. ‘Kijk’ zei ik, ‘als vormgever heb ik oog voor alle soorten vormgeving en dus ook van deze foeilelijke televisiegids.’ Ik wapperde het voor zijn neus heen en weer. ‘En jij hebt oog voor brievenbussen die verstopt staan of een schutkleur hebben. Net wat je vak is. Zoiets.’ Nu ik het zo zei, klonk het als pure logica. Even was hij stil en daarna lachte hij zo hard dat het echode tussen de even en oneven huisnummers.

Hij was dol op pesten. Nu kan ik wel wat hebben, maar weet wel wanneer je moet stoppen. Hij had geen idee. Vaak was het flauw en kon hij minutenlang lachen. Ik grinnikte dan wel mee, maar zocht wanhopig naar een nieuwe brievenbus. Toen ik langs nummer zevenenvijftig liep, vroeg hij voor de vierde keer binnen anderhalf uur of ik hier echt geen post voor had. ‘Zeg, heb jij soms je grapjas aan?’ vroeg ik hem terwijl ik de klep van de brievenbus opende. En terwijl ik hem vragend aankeek gooide ik de post voor nummer zevenenvijftig in de bus van nummer negenenvijftig. Ik kon enkel aanschouwen hoe de enveloppen achter het glas op de deurmat vielen. Er was niemand thuis.

Mardou van Kuilenburg

Plaats een reactie

Klik hier om een reactie te plaatsen

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.